• Blog

Werkgeversaansprakelijkheid bij teamuitjes

Judith van Setten- van den Brink

De zorgplicht van de werkgever voor haar medewerkers reikt ver, zo blijkt uit de blogs die ik hier eerder over heb geschreven. Maar waar ligt de grens? Waar raakt de zorgplicht van de werkgever de eigen verantwoordelijkheid van de werknemer? En wanneer kan niet meer worden gesproken over ongevallen ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’? Is daarvoor de functieomschrijving leidend of de concrete omstandigheden van de werkzaamheden? Het zijn terechte vragen waar ik in deze blog nader aandacht aan zal besteden.

Bedrijfsuitje

Kenmerkend voor een bedrijfsuitje is over het algemeen dat het activiteiten betreft die plaatsvinden buiten de werkomgeving en vaak (gedeeltelijk) in de vrije tijd van de werknemer. De activiteit staat in het teken van teambuilding en bevat veelal een ontspannend en inspannend karakter. Er bestaat daarom ook zeker een risico op ongevallen, welk risico zich in de praktijk ook regelmatig openbaart en waarover ook regelmatig wordt geprocedeerd.

Uit de rechtspraak blijkt dat een bedrijfsuitje kan worden beschouwd als “werk”, wanneer voldoende verband bestaat tussen de activiteit, de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, de schade en de overige omstandigheden van het geval. Daarvoor is bijvoorbeeld van belang of sprake is van een verplichte deelname aan de activiteit of de informele druk op het werk om deel te nemen. Daarnaast is de zeggenschap van de werkgever op de invulling van de activiteit van invloed op deze beoordeling.

Ik zal enkele concrete uitspraken toelichten, waarin de rechter zich over deze vraagstukken heeft gebogen.

Speedboot

Tijdens de jaarlijkse personeelsdag van een organisatie was onder meer een zogenaamde speedboottocht georganiseerd. Tijdens de speedboottocht werd met een snelheid tot 100 kilometer per uur gevaren. Daarnaast werden bewust de golven van andere boten opgezocht, bochten van 180 graden gemaakt en werd zijdelings langs andere boten gevaren. Nadat de speedboat over een bewuste golf was gesprongen, klapte de speedboat tegen een andere golf tot stilstand. De werkneemster kwam terecht op de stang van de speedboot, botste met haar hoofd tegen een collega en is enige seconden buiten bewustzijn geweest.

De Rechtbank verwees naar een overeenkomst, waarin over de personeelsdag was vermeld dat deze dag in het teken stond van “elkaar leren kennen, samenwerking en vooral ook een hoge dosis fun”. Daarnaast was de personeelsdag landelijk georganiseerd en zouden de diverse teams binnen de organisatie tegen elkaar strijden. Volgens de Rechtbank was er dan ook een voldoende relevante band tussen de personeelsdag en de verrichte werkzaamheden. Bovendien, zo concludeerde de Rechtbank, moet het begrip “arbeidsplaats” ruim worden uitgelegd. Dat het programma afweek van de dagelijkse werkzaamheden deed daar verder niets aan af.

De wijze waarop de activiteit was ingevuld, werd door de Rechtbank beschouwd als zeer risicovol, waarbij de werkgever zich niet voldoende had ingespannen om een optimale veiligheid voor de deelnemers te garanderen. De werkgever was dan ook aansprakelijk.

Artikel 7:611 BW

Een terechte vervolgvraag is: hoe zit dit met activiteiten die niet tijdens werktijd worden georganiseerd en waarvan de deelname nadrukkelijk vrijwillig is? Met andere woorden: stel dat er geen sprake is van een ongeval op de arbeidsplaats en/of tijdens de uitvoering van de werkzaamheden? Blijft de werkneemster dan met lege handen achter?

De wet kent in deze situaties het vangnet van ‘goed werkgeverschap’, dat is neergelegd in artikel 7:611 BW. Dit artikel verplicht de werkgever om zich als goed werkgever op te stellen en daarom ook de nodige verzekeringen af te sluiten om het risico op schade te minimaliseren. Ook deze situatie deed zich voor in de rechtspraak.

Rollerskates

Bij dit kantoor organiseerde de werkgever elk kwartaal na werktijd een activiteit voor de werknemers. De werknemers leverden zelf ideeën aan voor de invulling van het bedrijfsuitje. Dit keer stond de workshop “Dansen op rollerskates” op het programma. Nadat de werkneemster de rollerskates had aangetrokken, is zij alvast gaan rolschaatsen over de marmeren vloer. Vervolgens is zij, nog voordat de workshop daadwerkelijk was gestart, na enkele meters ten val gekomen. Het letsel bestond onder meer uit een gebroken pols. De polsbreuk was weliswaar genezen, maar zij is als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt geraakt door het ontstaan van posttraumatische dystrofie.

Het Gerechtshof oordeelde vooropgesteld dat de werkneemster op een vrije dag en na werktijd naar kantoor was gekomen voor de workshop. De activiteit was vrijwillig en niet alle werknemers namen deel aan de workshop. Er kon daarom niet worden gesproken over een ongeval ‘in de uitvoering van de werkzaamheden’.

Het Gerechtshof oordeelde echter vervolgens dat de samenhang tussen de workshop en het werk er wel toe leidde dat de werkgever een zorg- en preventieplicht had, op grond van artikel 7:611 BW. De workshop had immers plaatsgevonden in de hal van kantoor en de werkgever had de activiteit (mede) georganiseerd. Vervolgens werd geoordeeld dat hier sprake was van een zorgplichtschending. Daarbij was van belang dat het rolschaatsen op een marmeren vloer (die inherent hard en glad is) zonder voldoende houvast erg risicovol is, zeker omdat er van tevoren geen beschermingsmiddelen waren uitgereikt en er evenmin een rolschaatsinstructie was gegeven. Op grond daarvan was de werkgever toch aansprakelijk voor de letselschade van haar werkneemster.

Conclusie

De verantwoordelijkheid van de werkgever reikt ver, ook bij bedrijfsuitjes. Op de werkgever rust een vergaande zorgplicht voor haar medewerkers. Deze zorgplicht lijkt na deze blog wellicht onbegrensd, maar kent wel degelijk haar grenzen waarop de eigen verantwoordelijkheid van de werknemer het overwicht krijgt. Daarover later meer.

Deel dit artikel:

Judith van Setten- van den Brink

Letselschadeadvocaat